| « It giet oan! | Tussen denken en doen deel 4 (van 5) Exploitatie en verzet » |
Tussen denken en doen. De Bezetting (slot)
8. Het keren van de oorlogskansen
In de eerste helft van de oorlog leek Duitsland onoverwinnelijk. Kort na Nederland werden België en Frankrijk verslagen. Kort daarna schreef Colijn:
‘dat een nederlaag van Duitsland niet langer binnen de grens der mogelijkheden mag worden gerekend.’[1]
Iets anders was alleen gebaseerd op hoop. Toch geloofde men tegen beter weten in dat Duitsland de oorlog zou verliezen. Elk bericht over het oorlogsverloop voedde die hoop.
Een enkeling verbaasde zich hierover. Zoals de notaris in zijn dagboek in november 1940:
‘Het mensdom gelooft – waarom is niet erg duidelijk – dat de Duitse zaak er zeer slecht voorstaat.’
In juni 1942 schreef hij:
‘De meening dat Duitschland dezen oorlog verliest, is in Nederland al bijna een jaar zóó vast geworteld, dat vrijwel iedereen er in alle opzichten rekening mee houdt.’[2]
Ook de SiPo (Sicherheitspolizei) berichtte in november 1940 dat de Nederlanders een overwinning van Engeland als een onomstotelijk feit zagen. Later meldde de SiPo dat Nederland niet wilde zien dat Duitsland slag na slag won.[3]
In 1941 viel Hitler voormalig bondgenoot de Sovjet-Unie aan, waarbij de Nazi-troepen aanvankelijk zeer succesvol waren. Maar Duitse successen werden weggeredeneerd of simpelweg genegeerd.[4] De gemiddelde Nederlander wilde er niet aan dat Duitsland de oorlog zou kunnen winnen. Terwijl alle feiten daar tot begin 1942 op wezen.
Daarna, halverwege 1942, trad een dip op in het optimisme.[5] Nadat de Verenigde Staten zich hadden aangesloten bij de Geallieerden, werd op een snelle opmars gehoopt, maar die bleef uit. Meer slecht nieuws was dat Nederlands-Indië door Japan werd bezet. Hoe lang zou die vermaledijde oorlog nog gaan duren? [6]
In de loop van 1943 werd het oorlogsnieuws beter. Stalingrad hield stand, de Geallieerden landden in Sicilië en Italië capituleerde. Er gloorde eindelijk licht in de duisternis.[7]
Elk goed bericht leidde tot vreugde. Maar de lang verwachtte invasie van D-Day vond pas in juni 1944 plaats. Een half jaar later was het zuiden van Nederland bevrijd. De rest van Nederland moest het ergste oorlogsjaar nog doorstaan. Het leven raakte na Dolle Dinsdag,
5 september 1944, geheel ontwricht door de Spoorwegstaking en de Hongerwinter.[8]
Wanhoop kenmerkte deze laatste chaotische periode.
De gemiddelde Nederlander had er al de hele bezetting rotsvast op vertrouwd dat Nazi-Duitsland de oorlog zou verliezen. Hij werd hoogstens moedeloos van het lange wachten. Het – objectieve - keren van de oorlogskansen bevestigde slechts wat men allang geloofde.
Conclusie
De bezetting was een onzekere situatie, waar het rustige, neutrale Nederland niet op voorbereid was. De Nederlander vond de Duitsers indringers en aan de bezetting moest snel een einde komen. Maar Koningin en regering waren gevlucht en met een oorlog of bezetting had niemand ervaring. Dat leidde tot een afwachtende houding.
Vervolgens werd de Nederlander door het eigen gezag opgeroepen mee te werken met de bezetter, die zich fatsoenlijk gedroeg, en het gewone leven te hervatten. Onder deze omstandigheden is het niet vreemd dat hieraan gehoor werd gegeven.
Het alternatief was niet meewerken, en dat was niet in het eigenbelang en evenmin, conform de ‘beschermingshypothese,’ in het landsbelang. Dat Nederland het land werd met de grootste illegale pers en met de meeste onderduikers, mag dan ook een hele prestatie worden genoemd.
Meermalen, bijvoorbeeld bij de Jodenvervolging, valt op dat de gewone Nederlander simpelweg niet wist wat hij kon doen. Hij toonde weinig initiatief en miste leiding. Wanneer het tot actie kwam, zoals bij de Februaristaking, schrok men van de reactie van de bezetter.
De Nederlander hield het liever bij symbolisch verzet, of ´verzetjes’ zonder veel risico. Het bracht de Nederlanders samen tégen de Duitsers. Weinig heldhaftig, maar het droeg wel bij aan het mislukken van de nazificatie. Het heeft de bevrijding geen dag dichterbij gebracht.
Diverse historici betogen dat de stemming omsloeg, toen duidelijk werd dat Duitsland de oorlog zou verliezen. Maar de gemiddelde Nederlander geloofde al vanaf het begin van de bezetting heilig in de overwinning van de Geallieerden.
De gedachte dat het verzet zin krijgt na het omslaan van de oorlogskansen, zie ik niet in. Enerzijds omdat het verzet zich juist in de laatste fase van de oorlog niet meer richtte op een ondergronds leger. De activiteiten ten behoeve van de illegale pers en hulp aan onderduikers stonden niet in direct verband met de oorlogsvoering. Anderzijds omdat het idee dat de Duitsers zouden verliezen door de gemiddelde Nederlander tegen beter weten in de gehele oorlog door wordt geloofd. Dat het verlies van de Duitse bezetter eindelijk ook feitelijk kan worden onderbouwd, is mijns inziens geen omslag te noemen.
Het verzet wordt actief na de grootschalige arbeidsinzet, dat veel mensen in hun eigen familie raakt. Dat wordt vaak een omslag naar een anti-Duitse stemming genoemd. Maar het zich onttrekken aan de Duitse maatregelen is niet onverenigbaar met de eerdere, meer passieve anti-Duitse stemming. Mijn conclusie is dat dit geen omslag is in de stemming in die zin dat deze eerder niet anti-Duits zou zijn geweest. De stemming werd actief, maar was al anti-Duits.
Resumerend kan gesteld worden dat de Nederlander de bezetting een vreselijke situatie vond, waaraan snel een einde moest komen. Maar hij zag niet wat hij ertegen kon doen, dus accommodeerde hij desgevraagd. De stemming van de gemiddelde Nederlander was daarmee anti-Duits, ondanks een coöperatieve houding ten opzichte van de bezetter.
Tenslotte het beeld van Nederland dat als één man opstond tegen de bezetter. Meerdere schrijvers stellen dat dat beeld nooit door De Jong of andere historici is uitgedragen.[9] Maar het brede publiek herkent dat beeld direct van Van Kooten en De Bie in ‘Wo ist der Bahnhoff’.[10] Het blijkt authentiek. Verkijk wijst op de memoires van een Duitse politieman. Hij werd als hij in de oorlog de weg vroeg, steevast de verkeerde kant op gewezen.[11]
[1] Vd Heijden, Grijs verleden, 133
[2] Beide citaten: Vd Boom, We leven nog, 101
[3] Ibidem, 106
[4] Ibidem, 108
[5]Ibidem, 109 en Bartstra, Stemmingsgeschiedenis, 165
[6] Vd Boom, We leven nog, 110
[7] Ibidem, 115
[8] Vd Heijden, Grijs verleden, 316
[9] O.a. Blom, Grijs verleden? 59
[10] http://www.youtube.com/watch?v=h1XEPlh8jNA&feature=related uit: Van Kooten en de Bie, 5 mei 1985
[11] Verkijk, Die slappe Nederlanders, 27