| « Tussen denken en doen deel 4 (van 5) Exploitatie en verzet | Tussen denken en doen deel 2. Bezetting en accommodatie » |
Tussen denken en doen, deel 3 Nazificatie en Jodenvervolging
4 Nazificatie, de Nederlandse Unie en de NSB
Eén van de doelen van de bezetter was de Nederlandse bevolking winnen voor het nationaal-socialisme, aldus Blom.[1] Hiervoor werd propaganda ingezet en werden organisaties op nationaal-socialistische leest hervormd, of: gelijkgeschakeld.
Dat beviel mensen niet. Ze klaagden dat hun krant pro-Duits werd. Ook de – legale – radio werd niet meer serieus genomen, het ANP werd ‘Adolfs Nieuwe Papegaai.’[2] De propaganda die in bioscopen werd vertoond, werd met zoveel afkeurend gejoel ontvangen, dat er waarnemers in de zaal kwamen.[3]
De Nederlanders wezen de Duitse propaganda instinctief af. Een notaris ergerde zich eraan in zijn dagboek: Nederland gedraagt zich voorbeeldig, doet alles wat de bezetter verordonneerd, maar wil men alsjeblieft ophouden met dat ideologische gezwets?[4]
De oprichting van de Nederlandse Unie, op initiatief van de bezetter, werd daarentegen een groot succes. De meeste Nederlanders zagen in de Nederlandse Unie juist niet een instrument van de bezetter, maar een mogelijkheid zich uit te spreken tegen de bezetter en tegen de NSB.[5] De bezetting was een gegeven en samenwerking met de Duitsers was nodig vanwege de beschermingshypothese: als de Nederlanders in staat waren om hun eigen land goed te besturen, dan zouden de Duitsers geen aanleiding hebben méér te veranderen dan onder de gegeven omstandigheden strikt noodzakelijk was.[6]
Zo werd voorkomen dat een machtsvacuüm zou worden opgevuld door NSB’ers. Want de NSB werd door de gemiddelde Nederlander nog dieper gehaat dan de bezetter.[7]
De notaris noteert:
‘De NSB wordt niet gehaat als de pest, maar nog erger, als de kanker. Want de pest komt vanbuiten, de kanker vanbinnen.’[8]
Veel organisaties kregen in het kader van de nazificatie een Duitsgezinde leiding. Bij vakbonden en werkgeversorganisaties leidde dat tot veel opzeggingen. De bezetter hield een lege huls over. De SDAP ging nog verder, en hief zichzelf op.[9] De Nederlandse Unie werd eind 1941 ook opgeheven, na een moeizaam jaar samenwerken met de bezetter.[10]
Van der Heijden concludeert dat de uniformiteit die het nazi-systeem vereiste, onverenigbaar was met de pluriformiteit van het verzuilde Nederland.[11]
De Nederlander voegde zich in gedrag naar de bezetter, maar voegde zich niet naar diens overtuiging:
‘De modale Nederlander, kortom, moest van het nationaal-socialisme niets hebben.’[12]
De vrijwillige nazificatie mislukte, de Nederlander liet zich niet tot het nationaal-socialisme bekeren. De Nederlander was bereid geweest tot samenwerking, maar wilde zich niet laten voorschrijven wat hij moest denken. De bezetter gaf de welwillende aanpak op.[13]
5 Jodenvervolging
De Nederlandse joden waren volledig geïntegreerd of zelfs geassimileerd in de samenleving. De meeste joden woonden niet in aparte wijken.[14] Er was in Nederland weinig anti-semitisme in vergelijking met omringende landen.[15] Toch stonden er in dagboeken heel wat vooroordelen: joden zijn sluw, laf, vrijpostig, het is geen aangenaam volk. Maar het zijn toch ook mensen, vonden de meeste dagboekschrijvers en ze toonden zich verontwaardigd over de behandeling van de joden. De invoering van de Jodenster werd unaniem veroordeeld als een moffenstreek.[16]
Opvallend is dat mensen merkten dat diegenen die een ster droegen, hun eigen vooroordelen niet bevestigden. De ster leidde juist tot sympathie voor de nu als jood herkenbare buren. Het omgekeerde van wat de bezetter wilde bereiken. Het stemmingsrapport van de SiPo (Sicherheitspolizei) vermeldde in 1942 dat de Nederlanders een joodvriendelijke houding hadden.[17]
Hoewel niet veel mensen de transporten met eigen ogen zagen, waren deze wel algemeen bekend. Mensen toonde zich aangedaan, maar zagen niet wat ertegen kon worden gedaan.
Een Duitse functionaris rapporteerde:
‘De Nederlandse bevolking is geheel gekant tegen de transporten, maar zij toont hiervoor uiterlijk in het algemeen een gebrek aan belangstelling’[18]
De meeste joden gehoorzaamden aan de oproep van de bezetter om zich te melden voor transport. Ook zij waren opgegroeid in een land waar het altijd veilig was geweest. Onderduiken was nog een nieuw fenomeen, waaraan veel nadelen zaten. Was je niet veel slechter af als je ontdekt werd? Beter samen op transport dan apart onderduiken, was de overheersende gedachte.[19]
Radio Oranje en de illegale pers besteedden nauwelijks aandacht aan het lot van de joden. Noch de regering in Londen, noch de joodse leiders riep de Nederlandse bevolking op zich te verzetten tegen de transporten. Wat wist men over het lot van de joden? Er waren veel wilde geruchten. Bij ‘gassen’ dacht men aan het onbeschermd werken met gassen. Hoe konden anders zoveel joodse jongemannen in korte tijd omkomen in Mauthausen?[20] Dat het een zeer zwaar lot was, was duidelijk. Maar minder dan tien procent van de dagboeken noemde de gaskamers.[21]
Zo leidde een afwachtende houding en onvoldoende besef van de ernst van de situatie tot de Nederlandse paradox: een kleine kans op overleving voor joden in het veilige Nederland. Van der Heijden:
‘Het succes van de nazi’s kon in Nederland zo groot zijn omdat het begripsvermogen voor hun daden zo klein was.’[22]
De behandeling van de joden liet de meeste Nederlanders niet koud. Men vond het afschuwelijk, maar dééd niets. Een dagboekfragment:
‘Het bloed kookt ieder weldenkend mensch in de aderen, bij de gedachten aan deze verschrikkelijke dingen, welke men machteloos moet aanzien.’[23]
Opvallend is dat de gemiddelde Nederlandse dagboekschrijver zich verderop in de oorlog nauwelijks afvraagt wat er met de afgevoerde joden gebeurd is. Ze verdwijnen simpelweg, niet alleen uit het straatbeeld, maar ook uit de dagboeken.
De Nederlanders ervoeren de behandeling van de joden tijdens de bezetting niet als fundamenteel anders zagen dan wat hen te wachten stond. De joden waren simpelweg eerder aan de beurt. Daarna zou hen hetzelfde lot te wachten staan, zo leek de gedachte. Achteraf bezien een enorme miskenning van het lot van de joden.[24]
[1] Blom, Exploitatie en nazificatie, 35
[2] Vd Boom, We leven nog, 33
[3] Verkijk, Die slappe Nederlanders, 28
[4] Vd Boom, We leven nog, 35
[5] Bartstra, Stemmingsgeschiedenis, 156
[6] Ten Have, De Nederlandse Unie, 498
[7] Vd Heijden, Grijs verleden, 210
[8] Vd Boom, We leven nog, 40
[9] Verkijk, Die slappe Nederlanders, 58
[10] Ten Have, De Nederlandse Unie, 502
[11] Vd Heijden, Grijs verleden, 182
[12] Vd Boom, We leven nog, 42
[13] Ten Have, De Nederlandse Unie, 497
[14] De Jong, Het Koninkrijk, dl 5, 479
[15] J.C.H. Blom, Dutch Jews, Jewisch Dutchmen and Jews in the Netherlands 1870-1940 in: Jonathan Israel en Reinier Salverda, Dutch Jewry: Its History and Secular Culture (1500-2000) (Leiden/Boston/Keulen 2002) 215
[16] Vd Boom, We leven nog, 49
[17] Vd Boom, We leven nog, 47
[18] Vd Heijden, Grijs verleden, 223
[19] Verkijk, Die slappe Nederlanders, 101
[20] Vd Boom, We leven nog, 61
[21] Ibidem, 59
[22] Vd Heijden, Grijs verleden, 234
[23] Vd Heijden, Grijs verleden 53
[24] Vd Boom, We leven nog, 58