Tussen denken en doen deel 2. Bezetting en accommodatie

 

2
De bezetting

Op
10 mei 1940 werd de gemiddelde Nederland volkomen verrast door de aanval op hun
grondgebied. Het land was weliswaar gemobiliseerd, maar erg serieus had men dat
niet echt genomen, zo´n vaart zou het toch niet lopen? Toen bleek dat de
Koningin en de regering naar Londen waren gevlucht, voelde mensen zich dan ook in
de steek gelaten.[1]
Nederland was verslagen en voelde zich verslagen. Anderzijds was er opluchting
dat de oorlogshandelingen na die eerste oorlogsweek werden gestaakt. Het
verlies werd de Nederlandse strijdkrachten niet verweten. Onze jongens hadden
dapper gevochten, was het algemene beeld. De Duitsers hadden gebruik gemaakt
van list en bedrog en hadden hulp gekregen van NSB’ers. Dat was de versimpelde
lezing van veel Nederlanders.[2]

Nederland
was een bezet land geworden. Een bezetting is volgens de definitie van
socioloog Lammers: ‘een vreemde overheersing die tot stand komt en in stand
gehouden wordt door – dreiging met –  geweld.’[3] Dat de
bezetting met geweld tot stand was gekomen, is duidelijk. Maar het in stand
houden van de bezetting ging met minder geweld gepaard dan verwacht. De
bezetter ging aanvankelijk met ‘fluwelen handschoenen’ te werk. Veel mensen
verbaasden zich erover dat de Duitse soldaten correct en gedisciplineerd waren.[4] De
bevolking werd door de regering vanuit Londen expliciet opgeroepen om zich bij
situatie neer te leggen en niet tegen de bezetter in te gaan. Volgens
bevelhebber Winkelman zou een waardige en rustige houding eerbied bij de
bezettende vijand afdwingen.[5]  

De
uiterlijke rust en bereidheid tot samenwerking liet onverlet dat mensen
verontwaardigd waren over de inval en de bezetting. Nederland werd betrokken in
een oorlog waar het land niet voor gekozen had.[6] Van der
Boom concludeert:

 

‘Nederland vond de bezetting een
vreemde, ergernis- en angstwekkende situatie, die weer snel moest eindigen. De
inval was schandalig en onverdiend, de strijd was vuil gestreden, de bezetter,
hoe acceptabel hij zich aanvankelijk ook gedroeg, had hier niets te zoeken. Wat
er ook mis was geweest met het oude gezag, het was in ieder geval inheems.’[7]

 

Dit
laatste is van belang voor de eerder genoemde definitie van Lammers: men zag de
bezetter als vreemd. Terwijl de Duitsers het Nederlandse volk zagen als een Germaans
broedervolk. De Nederlanders zagen dat anders.

De
gemiddelde Nederlander was dus verontwaardigd over de bezetting maar men
berustte erin, of,  zoals Van der Heijden
het stelt, men koos de weg van de minste weerstand:  ‘Berusting is een gemoedstoestand die past bij
een rustig land.’[8]

 

 

3
Dagelijks leven: accommodatie

Na
de capitulatie werd het gewone leven hervat. De Nederlanders gingen weer aan
het werk. Of men daarmee de Duitsers in de kaart speelde, leek niet veel mensen
bezig te houden. De keuze tussen het bedrijf naar de haaien laten gaan óf
doorwerken, met voordeel voor de bezetter, was niet moeilijk.[9]

Samenwerking
met een bezetter is niet uitzonderlijk. Integendeel, volgens socioloog Lammers
is een bezetting onbestaanbaar zonder samenwerking met de overheerste groep.[10]  En wat was het alternatief? Ontslag nemen verhoogde
het risico om als werkloze tewerkgesteld te worden in Duitsland, waar men zeker
voor de Duitsers werkte.[11] Niet
meewerken spaarde alleen principes.[12] Verkijk
stelt dat wie tussen 1940 en 1945 leefde en werkte, voor de Duitsers werkte: ‘Al
het andere dan zelfmoord, was aanpassing.’[13]

Ook
ambtenaren werd opgedragen op hun post te blijven en loyaal mee te werken met
de bezetter. Pas als het voordeel voor de bezetter groter werd dan het belang
van het volk bij het niet meer functioneren van het eigen overheidsapparaat,
moest de ambtenaar opstappen.[14]

Later
is hiervoor de term ‘accommodatie’ gebruikt, aanpassing met erkenning van de
nieuwe situatie. Mensen gaven gehoor aan de oproep om samen te werken met de
bezetter en stelden zich afwachtend en coöperatief op.[15] Niemand
leek verbaasd over de oproep tot samenwerking.[16] Met
name in het bedrijfsleven werd het verdienen aan handel met de Duitsers geen
enkel probleem gevonden.[17]

Mensen
probeerden het dagelijks leven zoveel mogelijk te handhaven.

De
oorlog legde ook niet direct een groot beslag op het leven. Maar langzaam maar
zeker groeide de onvrede. De oorlog nam sluipenderwijs steeds meer ruimte in. De
bezetter trad harder op toen de voorzichtige aanpak onvoldoende aansloeg. In de
zomer van 1942 werden ruim 1200 vooraanstaande Nederlanders opgepakt, die
geïnterneerd werden in Haren. De oorlog kwam hiermee dichtbij: vrijwel iedereen
‘kende’ wel iemand in Haren. De sfeer van angst groeide.[18]

Van
der Heijden schetst het gevoel van een ‘gegoede Hollandse burger.’[19] Zijn
gevoel van ongemak groeide met Duitse uniformen op straat en de inkwartiering
van Duitse soldaten. Hij probeerde gewoon door te leven om zoveel mogelijk vast
te houden wat hem door de handen glipte: zekerheid. De zekerheid van een veilig
huis, van voldoende eten, dat bouwwerk had zijn fundament verloren. Hij maakte
geen toekomstplannen meer, hij wachtte af. Hij vertrouwde zijn dagboek toe:

‘Alles
is anders, alles is oorlog.’[20]

 

De
gemiddelde Nederlander erkende de bezetting en was coöperatief. Dat doorwerken
de bezetter kon helpen, zat weinig mensen dwars, wat moest je anders? Maar in
de loop van de tijd rukte de bezetting steeds verder op en tastte de zekerheid
van het dagelijks leven aan.


[1]Vd Heijden, Grijs verleden, 126

[2] De Jong, Het Koninkrijk, dl III, 520

[3] C.J. Lammers, Vreemde overheersing. Bezetten en bezetting
in sociologisch perspectief
(Amsterdam, 2005) 14

[4] Vd Boom, We leven nog, 25

[5] Vd Heijden, Grijs verleden, 131

[6] Vd Boom, We leven nog, 27

[7] Ibidem, 29-30

[8] Vd Heijden, Grijs verleden, 130

[9] Ibidem, 236

[10] Lammers, Vreemde overheersing, 12

[11] Verkijk, Die slappe Nederlanders, 53

[12] Van der Heijden, Grijs verleden,  196

[13] Verkijk, Die slappe Nederlanders, 23

[14] Vd Heijden, Grijs verleden, 142

[15] Blom, Exploitatie en nazificatie, 36

[16] Vd Boom, We leven nog, 81

[17] Verkijk, Die slappe Nederlanders, 20

[18] Vd Boom, We leven nog, 110

[19] Vd Heijden, Grijs verleden, 239

[20] Ibidem, 248

Leave a Reply