Tussen denken en doen, deel 1 (van 5) Nederland voor de oorlog

Tussen denken en doen

Hoe dacht de Nederlander over de
bezetting en handelde hij daarnaar?

De
geschiedschrijving over de Duitse bezetting houdt de gemoederen al sinds 1945
bezig. Kort na de oorlog was de heroïek niet van de lucht. Nederland had zich
kranig gedragen! De Duitsers hadden hier geen poot aan de grond gekregen, waar
mogelijk was verzet gepleegd. Daarna kwamen de serieuze onderzoeken, die
aantoonden dat er maar heel weinig mensen daadwerkelijk waren opgestaan tegen
de Duitsers. In 1965 sloeg Jacques Presser’s Ondergang over de Jodenvervolging
in als een bom. Deze en vele andere publicaties toonden de omvang en
vernietiging van de Holocaust en zetten daarmee de Jodenvervolging in het
middelpunt van alles wat met de oorlog te maken had.

In
plaats van helden werden de Nederlanders in overgrote meerderheid lafaards die
de andere kant op hadden gekeken. Of nog erger, hadden meegewerkt aan de
vervolgingen.

Het
lijden van de Nederlanders kwam in de schaduw te staan van het onbeschrijfelijke
leed van de Joden.

Tien
jaar geleden gooide Van der Heijden in Grijs
Verleden
nieuw olie op het vuur, met de
stelling dat de Nederlander de bezetting wel best vond. Pas toen halverwege de
oorlog zijn eigen belang rechtstreeks werd geraakt, werd de stemming anti-Duits,
aldus Van der Heijden.
Hij bestrijdt de mythe dat heel
Nederland zich als één man verzette tegen de Duitsers
een beeld dat volgens hem in
het leven is geroepen door De Jong in Het
Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog.

Daartegenover
stelden Verkijk (in: Die Slappe Nederlanders)
en Van der Boom (in: We leven nog) dat er vanaf het begin van
de bezetting een anti-Duitse stemming heerste. Anderen wezen op een omslag in
de stemming als gevolg van de nazificatie (Ten Have in: De Nederlandse Unie)
of het oorlogsverloop (Blom in: In de ban van goed en fout) . In het nieuwste werk van
Van der Heijden, Dat nooit meer,  blijkt de schrijver nog niets van zijn kritiek
gematigd te hebben.

Bij het
bestuderen van de publicaties
viel mij op dat denken en doen
met elkaar vereenzelvigd worden. Uit het doen wordt het denken afgeleid. Is dat
terecht? Sluit een meegaande houding een
anti-Duitse stemming uit?

In dit
werkstuk (gemaakt in het kader van mijn studie Geschiedenis aan de Universiteit
Leiden) is daarom de centrale vraag: Hoe dacht de Nederlander over de bezetting
in 1940 – 1945 en handelde hij daarnaar?

De nadruk bij een en ander ligt op het eerste deel van de bezetting, omdat daarover in de gebruikte literatuur het meeste verschil in opvatting bestaat.

(Met dank aan dr. Bart v.d. Boom voor de begeleiding)


1 Het
vooroorlogse Nederland

Nederland
was als neutraal land buiten de Eerste Wereldoorlog gebleven. De ontwrichting
van deze oorlog en de nasleep hiervan, ging dan ook grotendeels aan Nederland
voorbij.

Van der
Heijden gebruikt voor de periode na 1918 de treffende term ´balkon van Europa´
voor Nederland.
Vanaf dat balkon bekijkt het
neutrale Nederland hoofdschuddend het rumoer in de rest van Europa. Zoals het
opkomend Nazi-Duitsland, dat zich niet hield aan de afspraken uit het Verdrag
van Versailles. Maar Nederland kon rustig gaan slapen, aldus Colijn in 1936, er
was geen reden om ongerust te zijn.

Het
nationaal-socialisme sloeg in Nederland niet erg aan. In de ogen van de
gemiddelde Nederlander was dat maar een schreeuwerig kliekje, dat er desondanks
in geslaagd was de economie te herstellen en de werkloosheid op te lossen.
De NSB, de Nederlandse
nationaal-socialisten kregen in 1935, toen de negatieve kanten van het
nationaal-socialisme ook in Duitsland nog nauwelijks zichtbaar waren, acht
procent van de stemmen. Gezien de sterke verzuiling in de Nederlandse politiek
een aardverschuiving. Maar twee jaar later was daarvan nog maar de helft over.

Halverwege
1939 werd Nederland gemobiliseerd. Maar dat er echt gevochten zou worden op
Nederlands grondgebied, daar hield vrijwel niemand rekening mee.
De Jong merkt op dat het
neutraliteitsbeginsel zo strikt in stand werd gehouden, dat de publieke opinie
moeilijk vast te stellen is vanwege terughoudendheid in het publiceren van
kritische commentaren.
Van een oproep van
Churchill, in januari 1940, destijds minister van marine, aan de neutrale
landen om zich aan te sluiten bij de oorlog tegen het Derde Rijk, was men dan
ook niet gediend. Zijn oproep werd scherp en unaniem van de hand gewezen.
Waar bemoeide die Britse
onruststoker zich mee?

Om de
neutraliteit niet in gevaar te brengen, werd de bevolking ook niet geïnformeerd
over wat te doen bij een eventuele bezetting. Dat zou hen maar nodeloos
verontrusten.

Zo was
de gemiddelde Nederlander op de vooravond van de bezetting wel op de hoogte van
de gebeurtenissen in Europa, maar meende dat deze hem niet zouden raken.
Nederland hield zich strikt neutraal en verwachtte dat ook deze oorlog aan het
land voorbij zou gaan.


Wordt
vervolgd


C. van der Heijden, Grijs Verleden, Nederland en de Tweede
Wereldoorlog
(Amsterdam, 2001)

 

J.C.H. Blom, In de ban van goed en fout.
Geschiedschrijving over de bezettingstijd in Nederland
(Leiden, 2007)

L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog (Den Haag,
1969-1980)

D. Verkijk, Die slappe Nederlanders – of viel het toch wel mee in 1940-1945? (Soesterberg,
2001)

B.E. van der Boom, We leven nog. De stemming in bezet Nederland
 
(Amsterdam, 2003)

W. ten Have, De Nederlandse Unie: aanpassing, vernieuwing
en confrontatie in bezettingstijd 1940-41
(Amsterdam, 1999)

J.S. Bartstra, ‘Vergelijkende
stemmingsgeschiedenis in de bezette gebieden van West-Europa 1940-1945’ in: Mededelingen der Koninklijke Nederlandse
Akademie van Wetenschappen
, Deel 18 (Amsterdam 1955) 141-180

Leave a Reply