Tussen denken en doen. De Bezetting (slot)

 

8. Het keren van de oorlogskansen

In de
eerste helft van de oorlog leek Duitsland onoverwinnelijk. Kort na Nederland
werden België en Frankrijk verslagen. Kort daarna schreef Colijn:

‘dat een
nederlaag van Duitsland niet langer binnen de grens der mogelijkheden mag
worden  gerekend.’
[1]

Iets
anders was alleen gebaseerd op hoop. Toch geloofde men tegen beter weten in dat
Duitsland de oorlog zou verliezen. Elk bericht over het oorlogsverloop voedde
die hoop.

Een
enkeling verbaasde zich hierover. Zoals de notaris in zijn dagboek in november
1940:

‘Het
mensdom gelooft – waarom is niet erg duidelijk – dat de Duitse zaak er zeer slecht
voorstaat.’

In juni
1942 schreef hij:

‘De
meening dat Duitschland dezen oorlog verliest, is in Nederland al bijna een
jaar zóó vast geworteld, dat vrijwel iedereen er in alle opzichten rekening mee
houdt.’
[2]

Ook de
SiPo (Sicherheitspolizei) berichtte in november 1940 dat de Nederlanders een
overwinning van Engeland als een onomstotelijk feit zagen. Later meldde de SiPo
dat Nederland niet wilde zien dat Duitsland slag na slag won.
[3]

In 1941
viel Hitler voormalig bondgenoot de Sovjet-Unie aan, waarbij de Nazi-troepen
aanvankelijk zeer succesvol waren. Maar Duitse successen werden weggeredeneerd
of simpelweg genegeerd.
[4] De gemiddelde Nederlander
wilde er niet aan dat Duitsland de oorlog zou kunnen winnen. Terwijl alle
feiten daar tot begin 1942 op wezen.

Daarna,
halverwege 1942, trad een dip op in het optimisme.
[5] Nadat de Verenigde Staten
zich hadden aangesloten bij de Geallieerden, werd op een snelle opmars gehoopt,
maar die bleef uit. Meer slecht nieuws was dat Nederlands-Indië door Japan werd
bezet. Hoe lang zou die vermaledijde oorlog nog gaan duren?
[6] 

In de
loop van 1943 werd het oorlogsnieuws beter. Stalingrad hield stand, de
Geallieerden landden in Sicilië en Italië capituleerde. Er gloorde eindelijk
licht in de duisternis.
[7]

Elk goed
bericht leidde tot vreugde. Maar de lang verwachtte invasie van D-Day vond pas
in juni 1944 plaats. Een half jaar later was het zuiden van Nederland bevrijd.
De rest van Nederland moest het ergste oorlogsjaar nog doorstaan. Het leven
raakte na Dolle Dinsdag,

5
september 1944, geheel ontwricht door de Spoorwegstaking en de Hongerwinter.
[8]

Wanhoop
kenmerkte deze laatste chaotische periode.

De
gemiddelde Nederlander had er al de hele bezetting rotsvast op vertrouwd dat
Nazi-Duitsland de oorlog zou verliezen. Hij werd hoogstens moedeloos van het
lange wachten. Het – objectieve – keren van de oorlogskansen bevestigde slechts
wat men allang geloofde.

 

Conclusie

De
bezetting was een onzekere situatie, waar het rustige, neutrale Nederland niet
op voorbereid was. De Nederlander vond de Duitsers indringers en aan de
bezetting moest snel een einde komen. Maar Koningin en regering waren gevlucht
en met een oorlog of bezetting had niemand ervaring. Dat leidde tot een
afwachtende houding.

Vervolgens
werd de Nederlander door het eigen gezag opgeroepen mee te werken met de
bezetter, die zich fatsoenlijk gedroeg, en het gewone leven te hervatten. Onder
deze omstandigheden is het niet vreemd dat hieraan gehoor werd gegeven.

Het
alternatief was niet meewerken, en dat was niet in het eigenbelang en evenmin,
conform de ‘beschermingshypothese,’ in het landsbelang. Dat Nederland het land
werd met de grootste illegale pers en met de meeste onderduikers, mag dan ook
een hele prestatie worden genoemd.

Meermalen,
bijvoorbeeld bij de Jodenvervolging, valt op dat de gewone Nederlander simpelweg niet
wist wat hij kon doen. Hij toonde weinig initiatief en miste leiding. Wanneer
het tot actie kwam, zoals bij de Februaristaking, schrok men van de reactie van
de bezetter.


De
Nederlander hield het liever bij symbolisch verzet, of ´verzetjes’ zonder veel
risico. Het bracht de Nederlanders samen tégen de Duitsers. Weinig heldhaftig,
maar het droeg wel bij aan het mislukken van de nazificatie. Het heeft de
bevrijding geen dag dichterbij gebracht.

Diverse historici
betogen dat de stemming omsloeg, toen duidelijk werd dat Duitsland de oorlog
zou verliezen. Maar de gemiddelde Nederlander geloofde al vanaf het begin van
de bezetting heilig in de overwinning van de Geallieerden.

De
gedachte dat het verzet zin krijgt na het omslaan van de oorlogskansen, zie ik
niet in. Enerzijds omdat het verzet zich juist in de laatste fase van de oorlog
niet meer richtte op een ondergronds leger. De activiteiten ten behoeve van de
illegale pers en hulp aan onderduikers stonden niet in direct verband met de
oorlogsvoering. Anderzijds omdat het idee dat de Duitsers zouden verliezen door
de gemiddelde Nederlander tegen beter weten in de gehele oorlog door wordt
geloofd. Dat het verlies van de Duitse bezetter eindelijk ook feitelijk kan
worden onderbouwd, is mijns inziens geen omslag te noemen.  

Het verzet
wordt actief na de grootschalige arbeidsinzet, dat veel mensen in hun eigen
familie raakt. Dat wordt vaak een omslag naar een anti-Duitse stemming genoemd.
Maar het zich onttrekken aan de Duitse maatregelen is niet onverenigbaar met de
eerdere, meer passieve anti-Duitse stemming. Mijn conclusie is dat dit geen
omslag is in de stemming in die zin dat deze eerder niet anti-Duits zou zijn
geweest. De stemming werd actief,
maar was al anti-Duits.

 

Resumerend
kan gesteld worden dat de Nederlander de bezetting een vreselijke situatie
vond, waaraan snel een einde moest komen. Maar hij zag niet wat hij ertegen kon
doen, dus accommodeerde hij desgevraagd. De stemming van de gemiddelde
Nederlander was daarmee anti-Duits, ondanks een coöperatieve houding ten
opzichte van de bezetter.

Tenslotte
het beeld van Nederland dat als één man opstond tegen de bezetter. Meerdere
schrijvers stellen dat dat beeld nooit door De Jong of andere historici is
uitgedragen.
[9] Maar het brede publiek
herkent dat beeld direct van Van Kooten en De Bie in ‘Wo ist der Bahnhoff’.
[10] Het blijkt authentiek.
Verkijk wijst op de memoires van een Duitse politieman. Hij werd als hij in de
oorlog de weg vroeg, steevast de verkeerde kant op gewezen.
[11]

 


[1] Vd Heijden, Grijs verleden, 133

[2] Beide citaten: Vd Boom, We leven nog, 101

[3] Ibidem, 106

[4] Ibidem, 108

[5]Ibidem, 109 en Bartstra, Stemmingsgeschiedenis, 165

[6]
Vd Boom, We leven nog, 110

[7] Ibidem, 115

[8]
Vd Heijden, Grijs verleden, 316

[9]
O.a. Blom, Grijs verleden?
59

[10] http://www.youtube.com/watch?v=h1XEPlh8jNA&feature=related uit: Van Kooten en de Bie, 5 mei
1985 

[11] Verkijk, Die slappe Nederlanders, 27

Tussen denken en doen deel 4 (van 5) Exploitatie en verzet

6.
Exploitatie: voedselroof en Arbeidsinzet


Over
de schaarste en de arbeidsinzet werd veelvuldig geklaagd in de
oorlogsdagboeken.

Hoewel
aanvankelijk gewoon betaald werd door de bezetter en het Nederlandse bedrijfsleven
winst maakte[1],
zagen veel mensen leveranties aan de Duitsers als roof.

Steeds
meer producten zoals voedsel, kleding, schoeisel en zeep werden schaars en
gingen op de bon, dat was de schuld van de bezetter. Het distributiesysteem
bracht veel rompslomp met zich mee, onvoorbereid boodschappen doen was er niet
meer bij.

De
juiste bonnen verzamelen en op het goede moment meenemen naar de winkel, in de
hoop dat de producten daadwerkelijk verkrijgbaar waren, het werd een hele zorg
voor de huisvrouw in bezettingstijd.[2]

Achteraf
heeft Trienekens[3]
aangetoond dat de voedselvoorziening – tot de Hongerwinter – relatief gezond
was. Er was genoeg voedsel dat eerlijk werd verdeeld. Maar men at veel minder
vet en minder vlees dan men gewend was. De – authentieke – perceptie van de
Nederlander zelf was dat hij slecht at.[4] Dat de
ellende van de Hongerwinter achteraf is geprojecteerd op de hele oorlog, [5] zoals
Van der Heijden stelt, strookt dan ook niet met diverse dagboekfragmenten.[6] 

In
de loop van 1942 stelde de bezetter de algemene arbeidsplicht in. Door de
strijd aan het Oostfront had Duitsland behoefte aan meer arbeidskrachten. Ook
studenten die weigerden de loyaliteitsverklaring te tekenen, riskeerden
tewerkstelling in Duitsland. In 1943 werden ook alle Nederlandse militairen
teruggeroepen in krijgsgevangenschap. Het werd gezien als mensenroof:

‘Alles
stelen ze weg, tot onze mannen aan toe.’[7]

Was
het eerder nog mogelijk de oorlog buiten te sluiten, nu werd iedereen
slachtoffer. Het leidde tot de April/meistakingen in 1943. Deze staking uitte
zich – anders dan de Februaristaking, die beperkt bleef tot Amsterdam – vooral
in het noorden en oosten van het land.[8] De
stakingen werden met veel geweld neergeslagen, er vielen 200 doden.

Veel
mannen onttrokken zich aan de oproep en kozen ervoor onder te duiken. De
verwachting dat als je zonder kleerscheuren door de oorlog kon komen, als je je
maar aan de regels van de bezetter hield, kwam niet uit.

De
gemiddelde Nederlander maakte zich erg druk over de exploitatie, terwijl de
uiteindelijke gevolgen achteraf relatief meevielen.[9] Anders
dan bij de Jodentransporten, waarbij mensen nog passief langs de zijlijn stond,
was men vanaf de April/meistakingen in 1943 klaar voor actief verzet. 
 

7.
Verzet en verzetjes

Het
denken over het verzet heeft een opmerkelijke omslag doorgemaakt. Aanvankelijk
zagen veel Nederlanders verzet als zinloos. Wat droeg het bij aan het
beëindigen van de bezetting? Later kwam daar nog bij dat het leven van
onschuldige gijzelaars in de waagschaal werd gesteld.[10] Maar
dat veranderde na eind 1942, verzet werd concreet. De illegale pers en
onderduiken werden belangrijke vormen van verzet in Nederland.

Vooral
in het eerste jaar van de bezetting zijn er vele uitingen van symbolisch
verzet.

De
eerste collectieve actie was Anjerdag.[11] Op 29
juni 1940, de verjaardag van Prins Bernhard, droegen veel mensen een witte
anjer of legden bloemen bij het standbeeld van koningin Emma. Het gaf mensen
een gevoel van saamhorigheid. De Duitsers vonden het een belachelijk
bloemencorso en verboden de kranten erover te berichten.[12]

Van
der Heijden noemt het ‘verzetjes’: symbolische daden waarmee mensen hun onvrede
toonden, maar waarmee ze geen gevaar liepen.[13] Dat
beseften ze zelf ook. Regelmatig verzuchtte men in dagboeken dat het gruwelijk
flauw was, maar het gaf een voldaan gevoel.[14]

De
Februaristaking was van een andere orde. De verontwaardiging tegen de
maatregelen van de bezetter kwam tot een uitbarsting. De aanleiding was het
oppakken van 400 joodse mannen in Amsterdam. De bezetter trad hard op en bij
het neerslaan vielen tien doden. De staking bleef beperkt tot Amsterdam en
kranten en radio berichtten er uiteraard niet over. Toch werd de staking in veel
dagboeken genoemd. Eindelijk stond Nederland op tegen de bezetter![15]

In
de illegale pers werd de staking uitgebreid beschreven en toegejuicht.[16] Er was
naast bewondering ook afkeuring, wat zouden de gevolgen zijn?[17]

De
groep joden die werd opgepakt rond de Februaristaking kwam in Mauthausen
terecht en al snel volgden er overlijdensberichten. De conclusie: wie de
Duitsers tegenwerkte, speelde met zijn leven.[18]

Nederland
was niet gewend aan geweld.[19] Op de
eerste executie van het verzet in februari 1943 werd met afschuw gereageerd. De
illegale pers wees de moord af. Zoiets paste bij het verfoeide
nationaal-socialistische gedachtegoed.[20] In
dagboeken werd de daad eveneens afgekeurd, het toonde aan dat de oorlog het
slechtste in mensen naar boven bracht.[21]

De
April/meistakingen tegen de arbeidsinzet gaven het georganiseerde verzet een
enorme impuls. De actiebereidheid nam toe tegelijk met de vraag naar het
georganiseerde verzet.

De
illegale pers en onderduiken werden in Nederland groter dan elders.[22] Er
waren in Nederland meer dan 1.000 illegale bladen met een oplage van circa
450.000[23] die
vaak door meerdere gezinnen werden gelezen. Het belang van deze publicaties was
groot.[24] De
illegale pers zorgde voor informatie en gaf hoop. Zo legde het een
voedingsbodem voor het verzet. In de loop van 1942 groeide het georganiseerde
verzet rond de hulp aan onderduikers. Zowel de vraag als het aanbod nam toe. In
Nederland doken totaal circa 350.000 mensen onder, waaronder circa 25.000
joden. Voor het grootste deel waren het mannen die zich onttrokken aan de grootschalige
arbeidsinzet.[25]

De
gemiddelde Nederland uitte zijn anti-Duitse gevoelens door middel van
symbolisch verzet, waarmee hij weinig risico liep. Waren ‘verzetjes’ eigenlijk
wel verzet? De Jong omschrijft verzet ruimer dan illegaliteit:

‘elk
handelen dat trachtte te verhinderen dat de bezetter zijn gestelde doelen zou
bereiken.’[26]

De
nazificatie mislukte doordat de bevolking zich het nationaal-socialisme niet
liet voorschrijven.[27] Het
doel werd niet gehaald doordat symbolisch verzet de Nederlanders samenbracht
tégen de Duitsers. Dus kan dit weldegelijk gekwalificeerd worden als verzet.

Bij
de confrontatie rond Februaristaking toonde de bezetter zijn ware gezicht. Na
de April/meistakingen werd actief verzet niet langer gezien als waaghalzerij.

Het
werd concrete hulp aan de illegale pers of aan onderduikers. Daarbij was
belangrijk dat de onderduikers uit de directe omgeving kwamen. De passieve
stemming werd actief.


[1] Vd Heijden, Grijs verleden, 154-155

[2] Vd Boom, We leven nog, 74

[3] G. Trienekens, Tussen ons volk en de honger. De
voedselvoorziening 1940-1945
(Utrecht, 1985)

[4] Vd Boom, We leven nog, 75

[5] Vd Heijden, Grijs verleden, 149

[6] Vd Boom, We leven nog, 71

[7] Ibidem, 76

[8] Verkijk, Die slappe Nederlanders, 61

[9] Vd Boom, We leven nog, 79

[10] Ibidem, 96

[11]Ibidem, 32

[12] Bartstra, Stemmingsgeschiedenis, 155

[13] Vd Heijden, Grijs verleden, 271

[14] Vd Boom, We leven nog, 86

[15] Ibidem, 48

[16] Verkijk, Die slappe Nederlanders, 44-45

[17]Vd Heijden, Grijs verleden, 291

[18] Vd Boom, We leven nog, 61

[19] Vd Heijden, Grijs verleden, 289

[20] Verkijk, Die slappe Nederlanders, 70

[21] Vd Boom, We leven nog, 94

[22] Verkijk, Die slappe Nederlanders, 69 en Vd Heijden, Grijs verleden, 288

[23] Verkijk, Die slappe Nederlanders, 64

[24] Vd Heijden, Grijs verleden, 291

[25] Ibidem, 303

[26] De Jong, Het Koninkrijk, dl VII, 995

[27] Blom, Exploitatie en nazificatie, 35

Tussen denken en doen, deel 3 Nazificatie en Jodenvervolging

4 Nazificatie, de Nederlandse Unie en de NSB

Eén
van de doelen van de bezetter was de Nederlandse bevolking winnen voor het
nationaal-socialisme, aldus Blom.[1] Hiervoor
werd propaganda ingezet en werden organisaties op nationaal-socialistische
leest hervormd, of: gelijkgeschakeld.

Dat
beviel mensen niet. Ze klaagden dat hun krant pro-Duits werd. Ook de – legale –
radio werd niet meer serieus genomen, het ANP werd ‘Adolfs Nieuwe Papegaai.’[2] De
propaganda die in bioscopen werd vertoond, werd met zoveel afkeurend gejoel
ontvangen, dat er waarnemers in de zaal kwamen.[3]

De
Nederlanders wezen de Duitse propaganda instinctief af. Een notaris ergerde
zich eraan in zijn dagboek: Nederland gedraagt zich voorbeeldig, doet alles wat
de bezetter verordonneerd, maar wil men alsjeblieft ophouden met dat
ideologische gezwets?[4]

De
oprichting van de Nederlandse Unie, op initiatief van de bezetter, werd
daarentegen een groot succes. De meeste Nederlanders zagen in de Nederlandse
Unie juist niet een instrument van de bezetter, maar een mogelijkheid zich uit
te spreken tegen de bezetter en tegen de NSB.[5] De
bezetting was een gegeven en samenwerking met de Duitsers was nodig vanwege de beschermingshypothese:
als de Nederlanders in staat waren om hun eigen land goed te besturen, dan
zouden de Duitsers geen aanleiding hebben méér te veranderen dan onder de
gegeven omstandigheden strikt noodzakelijk was.[6]

Zo
werd voorkomen dat een machtsvacuüm zou worden opgevuld door NSB’ers. Want de
NSB werd door de gemiddelde Nederlander nog dieper gehaat dan de bezetter.[7]

De
notaris noteert:

‘De
NSB wordt niet gehaat als de pest, maar nog erger, als de kanker. Want de pest
komt vanbuiten, de kanker vanbinnen.’[8] 

Veel
organisaties kregen in het kader van de nazificatie een Duitsgezinde leiding.
Bij vakbonden en werkgeversorganisaties leidde dat tot veel opzeggingen. De
bezetter hield een lege huls over. De SDAP ging nog verder, en hief zichzelf
op.[9] De
Nederlandse Unie werd eind 1941 ook opgeheven, na een moeizaam jaar samenwerken
met de bezetter.[10]

Van
der Heijden concludeert dat de uniformiteit die het nazi-systeem vereiste,
onverenigbaar was met de pluriformiteit van het verzuilde Nederland.[11]

De
Nederlander voegde zich in gedrag naar de bezetter, maar voegde zich niet naar
diens overtuiging:

‘De
modale Nederlander, kortom, moest van het nationaal-socialisme niets hebben.’[12]

De
vrijwillige nazificatie mislukte, de Nederlander liet zich niet tot het
nationaal-socialisme bekeren. De Nederlander was bereid geweest tot
samenwerking, maar wilde zich niet laten voorschrijven wat hij moest denken. De
bezetter gaf de welwillende aanpak op.[13]

5 Jodenvervolging

De
Nederlandse joden waren volledig geïntegreerd of zelfs geassimileerd in de
samenleving. De meeste joden woonden niet in aparte wijken.[14] Er was
in Nederland weinig anti-semitisme in vergelijking met omringende landen.[15] Toch stonden
er in dagboeken heel wat vooroordelen: joden zijn sluw, laf, vrijpostig, het is
geen aangenaam volk. Maar het zijn toch ook mensen, vonden de meeste
dagboekschrijvers en ze toonden zich verontwaardigd over de behandeling van de
joden. De invoering van de Jodenster werd unaniem veroordeeld als een moffenstreek.[16]

Opvallend
is dat mensen merkten dat diegenen die een ster droegen, hun eigen vooroordelen niet
bevestigden. De ster leidde juist tot sympathie voor de nu als jood herkenbare buren.
Het
omgekeerde van wat de bezetter wilde bereiken. Het stemmingsrapport van de SiPo
(Sicherheitspolizei) vermeldde in 1942 dat de Nederlanders een joodvriendelijke
houding hadden.[17]

Hoewel
niet veel mensen de transporten met eigen ogen zagen, waren deze wel algemeen
bekend. Mensen toonde zich aangedaan, maar zagen niet wat ertegen kon worden
gedaan.

Een
Duitse functionaris rapporteerde:

‘De
Nederlandse bevolking is geheel gekant tegen de transporten, maar zij toont
hiervoor uiterlijk in het algemeen een gebrek aan belangstelling’[18]

De
meeste joden gehoorzaamden aan de oproep van de bezetter om zich te melden voor
transport. Ook zij waren opgegroeid in een land waar het altijd veilig was
geweest. Onderduiken was nog een nieuw fenomeen, waaraan veel nadelen zaten.
Was je niet veel slechter af als je ontdekt werd?  Beter samen op transport dan apart
onderduiken, was de overheersende gedachte.[19]

Radio
Oranje en de illegale pers besteedden nauwelijks aandacht aan het lot van de
joden. Noch de regering in Londen, noch de joodse leiders riep de Nederlandse
bevolking op zich te verzetten tegen de transporten. Wat wist men over het lot
van de joden? Er waren veel wilde geruchten. Bij ‘gassen’ dacht men aan het
onbeschermd werken met gassen. Hoe konden anders zoveel joodse jongemannen in
korte tijd omkomen in Mauthausen?[20] Dat het
een zeer zwaar lot was, was duidelijk. Maar minder dan tien procent van de
dagboeken noemde de gaskamers.[21]

Zo
leidde een afwachtende houding en onvoldoende besef van de ernst van de
situatie tot de Nederlandse paradox:  een
kleine kans op overleving voor joden in het veilige Nederland. 
Van
der Heijden:

‘Het
succes van de nazi’s kon in Nederland zo groot zijn omdat het begripsvermogen
voor hun daden zo klein was.’[22]

De
behandeling van de joden liet de meeste Nederlanders niet koud. Men vond het
afschuwelijk, maar dééd niets. Een dagboekfragment:

‘Het
bloed kookt ieder weldenkend mensch in de aderen, bij de gedachten aan deze
verschrikkelijke dingen, welke men machteloos moet aanzien.’[23]
 

Opvallend
is dat de gemiddelde Nederlandse dagboekschrijver zich verderop in de oorlog
nauwelijks afvraagt wat er met de afgevoerde joden gebeurd is. Ze verdwijnen
simpelweg, niet alleen uit het straatbeeld, maar ook uit de dagboeken.

De
Nederlanders ervoeren de behandeling van de joden tijdens de bezetting niet als
fundamenteel anders zagen dan wat hen te wachten stond. De joden waren
simpelweg eerder aan de beurt. Daarna zou hen hetzelfde lot te wachten staan,
zo leek de gedachte. Achteraf bezien e
en
enorme miskenning van het lot van de joden.[24]

 


[1] Blom, Exploitatie en nazificatie, 35

[2] Vd Boom, We leven nog, 33

[3] Verkijk, Die slappe Nederlanders, 28

[4] Vd Boom, We leven nog, 35

[5] Bartstra, Stemmingsgeschiedenis, 156

[6] Ten Have, De Nederlandse Unie, 498

[7] Vd Heijden, Grijs verleden, 210

[8] Vd Boom, We leven nog, 40

[9] Verkijk, Die slappe Nederlanders, 58

[10] Ten Have, De Nederlandse Unie, 502

[11] Vd Heijden, Grijs verleden, 182

[12] Vd Boom, We leven nog, 42

[13] Ten Have, De Nederlandse Unie, 497

[14] De Jong, Het Koninkrijk, dl 5, 479

[15]
J.C.H. Blom, Dutch Jews, Jewisch Dutchmen and Jews in the Netherlands 1870-1940
in: Jonathan Israel en Reinier Salverda, Dutch
Jewry: Its History and Secular Culture (1500-2000)
(Leiden/Boston/Keulen
2002) 215

[16] Vd Boom, We leven nog, 49

[17] Vd Boom, We leven nog, 47

[18] Vd Heijden, Grijs verleden, 223

[19] Verkijk, Die slappe Nederlanders, 101

[20] Vd Boom, We leven nog, 61

[21] Ibidem, 59

[22] Vd Heijden, Grijs verleden, 234

[23] Vd Heijden, Grijs verleden 53

[24] Vd Boom, We leven nog, 58

Tussen denken en doen deel 2. Bezetting en accommodatie

 

2
De bezetting

Op
10 mei 1940 werd de gemiddelde Nederland volkomen verrast door de aanval op hun
grondgebied. Het land was weliswaar gemobiliseerd, maar erg serieus had men dat
niet echt genomen, zo´n vaart zou het toch niet lopen? Toen bleek dat de
Koningin en de regering naar Londen waren gevlucht, voelde mensen zich dan ook in
de steek gelaten.[1]
Nederland was verslagen en voelde zich verslagen. Anderzijds was er opluchting
dat de oorlogshandelingen na die eerste oorlogsweek werden gestaakt. Het
verlies werd de Nederlandse strijdkrachten niet verweten. Onze jongens hadden
dapper gevochten, was het algemene beeld. De Duitsers hadden gebruik gemaakt
van list en bedrog en hadden hulp gekregen van NSB’ers. Dat was de versimpelde
lezing van veel Nederlanders.[2]

Nederland
was een bezet land geworden. Een bezetting is volgens de definitie van
socioloog Lammers: ‘een vreemde overheersing die tot stand komt en in stand
gehouden wordt door – dreiging met –  geweld.’[3] Dat de
bezetting met geweld tot stand was gekomen, is duidelijk. Maar het in stand
houden van de bezetting ging met minder geweld gepaard dan verwacht. De
bezetter ging aanvankelijk met ‘fluwelen handschoenen’ te werk. Veel mensen
verbaasden zich erover dat de Duitse soldaten correct en gedisciplineerd waren.[4] De
bevolking werd door de regering vanuit Londen expliciet opgeroepen om zich bij
situatie neer te leggen en niet tegen de bezetter in te gaan. Volgens
bevelhebber Winkelman zou een waardige en rustige houding eerbied bij de
bezettende vijand afdwingen.[5]  

De
uiterlijke rust en bereidheid tot samenwerking liet onverlet dat mensen
verontwaardigd waren over de inval en de bezetting. Nederland werd betrokken in
een oorlog waar het land niet voor gekozen had.[6] Van der
Boom concludeert:

 

‘Nederland vond de bezetting een
vreemde, ergernis- en angstwekkende situatie, die weer snel moest eindigen. De
inval was schandalig en onverdiend, de strijd was vuil gestreden, de bezetter,
hoe acceptabel hij zich aanvankelijk ook gedroeg, had hier niets te zoeken. Wat
er ook mis was geweest met het oude gezag, het was in ieder geval inheems.’[7]

 

Dit
laatste is van belang voor de eerder genoemde definitie van Lammers: men zag de
bezetter als vreemd. Terwijl de Duitsers het Nederlandse volk zagen als een Germaans
broedervolk. De Nederlanders zagen dat anders.

De
gemiddelde Nederlander was dus verontwaardigd over de bezetting maar men
berustte erin, of,  zoals Van der Heijden
het stelt, men koos de weg van de minste weerstand:  ‘Berusting is een gemoedstoestand die past bij
een rustig land.’[8]

 

 

3
Dagelijks leven: accommodatie

Na
de capitulatie werd het gewone leven hervat. De Nederlanders gingen weer aan
het werk. Of men daarmee de Duitsers in de kaart speelde, leek niet veel mensen
bezig te houden. De keuze tussen het bedrijf naar de haaien laten gaan óf
doorwerken, met voordeel voor de bezetter, was niet moeilijk.[9]

Samenwerking
met een bezetter is niet uitzonderlijk. Integendeel, volgens socioloog Lammers
is een bezetting onbestaanbaar zonder samenwerking met de overheerste groep.[10]  En wat was het alternatief? Ontslag nemen verhoogde
het risico om als werkloze tewerkgesteld te worden in Duitsland, waar men zeker
voor de Duitsers werkte.[11] Niet
meewerken spaarde alleen principes.[12] Verkijk
stelt dat wie tussen 1940 en 1945 leefde en werkte, voor de Duitsers werkte: ‘Al
het andere dan zelfmoord, was aanpassing.’[13]

Ook
ambtenaren werd opgedragen op hun post te blijven en loyaal mee te werken met
de bezetter. Pas als het voordeel voor de bezetter groter werd dan het belang
van het volk bij het niet meer functioneren van het eigen overheidsapparaat,
moest de ambtenaar opstappen.[14]

Later
is hiervoor de term ‘accommodatie’ gebruikt, aanpassing met erkenning van de
nieuwe situatie. Mensen gaven gehoor aan de oproep om samen te werken met de
bezetter en stelden zich afwachtend en coöperatief op.[15] Niemand
leek verbaasd over de oproep tot samenwerking.[16] Met
name in het bedrijfsleven werd het verdienen aan handel met de Duitsers geen
enkel probleem gevonden.[17]

Mensen
probeerden het dagelijks leven zoveel mogelijk te handhaven.

De
oorlog legde ook niet direct een groot beslag op het leven. Maar langzaam maar
zeker groeide de onvrede. De oorlog nam sluipenderwijs steeds meer ruimte in. De
bezetter trad harder op toen de voorzichtige aanpak onvoldoende aansloeg. In de
zomer van 1942 werden ruim 1200 vooraanstaande Nederlanders opgepakt, die
geïnterneerd werden in Haren. De oorlog kwam hiermee dichtbij: vrijwel iedereen
‘kende’ wel iemand in Haren. De sfeer van angst groeide.[18]

Van
der Heijden schetst het gevoel van een ‘gegoede Hollandse burger.’[19] Zijn
gevoel van ongemak groeide met Duitse uniformen op straat en de inkwartiering
van Duitse soldaten. Hij probeerde gewoon door te leven om zoveel mogelijk vast
te houden wat hem door de handen glipte: zekerheid. De zekerheid van een veilig
huis, van voldoende eten, dat bouwwerk had zijn fundament verloren. Hij maakte
geen toekomstplannen meer, hij wachtte af. Hij vertrouwde zijn dagboek toe:

‘Alles
is anders, alles is oorlog.’[20]

 

De
gemiddelde Nederlander erkende de bezetting en was coöperatief. Dat doorwerken
de bezetter kon helpen, zat weinig mensen dwars, wat moest je anders? Maar in
de loop van de tijd rukte de bezetting steeds verder op en tastte de zekerheid
van het dagelijks leven aan.


[1]Vd Heijden, Grijs verleden, 126

[2] De Jong, Het Koninkrijk, dl III, 520

[3] C.J. Lammers, Vreemde overheersing. Bezetten en bezetting
in sociologisch perspectief
(Amsterdam, 2005) 14

[4] Vd Boom, We leven nog, 25

[5] Vd Heijden, Grijs verleden, 131

[6] Vd Boom, We leven nog, 27

[7] Ibidem, 29-30

[8] Vd Heijden, Grijs verleden, 130

[9] Ibidem, 236

[10] Lammers, Vreemde overheersing, 12

[11] Verkijk, Die slappe Nederlanders, 53

[12] Van der Heijden, Grijs verleden,  196

[13] Verkijk, Die slappe Nederlanders, 23

[14] Vd Heijden, Grijs verleden, 142

[15] Blom, Exploitatie en nazificatie, 36

[16] Vd Boom, We leven nog, 81

[17] Verkijk, Die slappe Nederlanders, 20

[18] Vd Boom, We leven nog, 110

[19] Vd Heijden, Grijs verleden, 239

[20] Ibidem, 248

Tussen denken en doen, deel 1 (van 5) Nederland voor de oorlog

Tussen denken en doen

Hoe dacht de Nederlander over de
bezetting en handelde hij daarnaar?

De
geschiedschrijving over de Duitse bezetting houdt de gemoederen al sinds 1945
bezig. Kort na de oorlog was de heroïek niet van de lucht. Nederland had zich
kranig gedragen! De Duitsers hadden hier geen poot aan de grond gekregen, waar
mogelijk was verzet gepleegd. Daarna kwamen de serieuze onderzoeken, die
aantoonden dat er maar heel weinig mensen daadwerkelijk waren opgestaan tegen
de Duitsers. In 1965 sloeg Jacques Presser’s Ondergang over de Jodenvervolging
in als een bom. Deze en vele andere publicaties toonden de omvang en
vernietiging van de Holocaust en zetten daarmee de Jodenvervolging in het
middelpunt van alles wat met de oorlog te maken had.

In
plaats van helden werden de Nederlanders in overgrote meerderheid lafaards die
de andere kant op hadden gekeken. Of nog erger, hadden meegewerkt aan de
vervolgingen.

Het
lijden van de Nederlanders kwam in de schaduw te staan van het onbeschrijfelijke
leed van de Joden.

Tien
jaar geleden gooide Van der Heijden in Grijs
Verleden
nieuw olie op het vuur, met de
stelling dat de Nederlander de bezetting wel best vond. Pas toen halverwege de
oorlog zijn eigen belang rechtstreeks werd geraakt, werd de stemming anti-Duits,
aldus Van der Heijden.
Hij bestrijdt de mythe dat heel
Nederland zich als één man verzette tegen de Duitsers
een beeld dat volgens hem in
het leven is geroepen door De Jong in Het
Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog.

Daartegenover
stelden Verkijk (in: Die Slappe Nederlanders)
en Van der Boom (in: We leven nog) dat er vanaf het begin van
de bezetting een anti-Duitse stemming heerste. Anderen wezen op een omslag in
de stemming als gevolg van de nazificatie (Ten Have in: De Nederlandse Unie)
of het oorlogsverloop (Blom in: In de ban van goed en fout) . In het nieuwste werk van
Van der Heijden, Dat nooit meer,  blijkt de schrijver nog niets van zijn kritiek
gematigd te hebben.

Bij het
bestuderen van de publicaties
viel mij op dat denken en doen
met elkaar vereenzelvigd worden. Uit het doen wordt het denken afgeleid. Is dat
terecht? Sluit een meegaande houding een
anti-Duitse stemming uit?

In dit
werkstuk (gemaakt in het kader van mijn studie Geschiedenis aan de Universiteit
Leiden) is daarom de centrale vraag: Hoe dacht de Nederlander over de bezetting
in 1940 – 1945 en handelde hij daarnaar?

De nadruk bij een en ander ligt op het eerste deel van de bezetting, omdat daarover in de gebruikte literatuur het meeste verschil in opvatting bestaat.

(Met dank aan dr. Bart v.d. Boom voor de begeleiding)


1 Het
vooroorlogse Nederland

Nederland
was als neutraal land buiten de Eerste Wereldoorlog gebleven. De ontwrichting
van deze oorlog en de nasleep hiervan, ging dan ook grotendeels aan Nederland
voorbij.

Van der
Heijden gebruikt voor de periode na 1918 de treffende term ´balkon van Europa´
voor Nederland.
Vanaf dat balkon bekijkt het
neutrale Nederland hoofdschuddend het rumoer in de rest van Europa. Zoals het
opkomend Nazi-Duitsland, dat zich niet hield aan de afspraken uit het Verdrag
van Versailles. Maar Nederland kon rustig gaan slapen, aldus Colijn in 1936, er
was geen reden om ongerust te zijn.

Het
nationaal-socialisme sloeg in Nederland niet erg aan. In de ogen van de
gemiddelde Nederlander was dat maar een schreeuwerig kliekje, dat er desondanks
in geslaagd was de economie te herstellen en de werkloosheid op te lossen.
De NSB, de Nederlandse
nationaal-socialisten kregen in 1935, toen de negatieve kanten van het
nationaal-socialisme ook in Duitsland nog nauwelijks zichtbaar waren, acht
procent van de stemmen. Gezien de sterke verzuiling in de Nederlandse politiek
een aardverschuiving. Maar twee jaar later was daarvan nog maar de helft over.

Halverwege
1939 werd Nederland gemobiliseerd. Maar dat er echt gevochten zou worden op
Nederlands grondgebied, daar hield vrijwel niemand rekening mee.
De Jong merkt op dat het
neutraliteitsbeginsel zo strikt in stand werd gehouden, dat de publieke opinie
moeilijk vast te stellen is vanwege terughoudendheid in het publiceren van
kritische commentaren.
Van een oproep van
Churchill, in januari 1940, destijds minister van marine, aan de neutrale
landen om zich aan te sluiten bij de oorlog tegen het Derde Rijk, was men dan
ook niet gediend. Zijn oproep werd scherp en unaniem van de hand gewezen.
Waar bemoeide die Britse
onruststoker zich mee?

Om de
neutraliteit niet in gevaar te brengen, werd de bevolking ook niet geïnformeerd
over wat te doen bij een eventuele bezetting. Dat zou hen maar nodeloos
verontrusten.

Zo was
de gemiddelde Nederlander op de vooravond van de bezetting wel op de hoogte van
de gebeurtenissen in Europa, maar meende dat deze hem niet zouden raken.
Nederland hield zich strikt neutraal en verwachtte dat ook deze oorlog aan het
land voorbij zou gaan.


Wordt
vervolgd


C. van der Heijden, Grijs Verleden, Nederland en de Tweede
Wereldoorlog
(Amsterdam, 2001)

 

J.C.H. Blom, In de ban van goed en fout.
Geschiedschrijving over de bezettingstijd in Nederland
(Leiden, 2007)

L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog (Den Haag,
1969-1980)

D. Verkijk, Die slappe Nederlanders – of viel het toch wel mee in 1940-1945? (Soesterberg,
2001)

B.E. van der Boom, We leven nog. De stemming in bezet Nederland
 
(Amsterdam, 2003)

W. ten Have, De Nederlandse Unie: aanpassing, vernieuwing
en confrontatie in bezettingstijd 1940-41
(Amsterdam, 1999)

J.S. Bartstra, ‘Vergelijkende
stemmingsgeschiedenis in de bezette gebieden van West-Europa 1940-1945’ in: Mededelingen der Koninklijke Nederlandse
Akademie van Wetenschappen
, Deel 18 (Amsterdam 1955) 141-180