Surinaamse contractarbeid keuze of kidnap

 

Vandaag op Geschiedenis Beleven:

Surinaamse contractarbeid: keuze of kidnap

De populaire televisieserie De Slavernij
eindigt met de afschaffing van de slavernij. Wie gingen daarna het werk op de Surinaamse
plantages doen? Dit keer geen Afrikaanse slaven, maar Hindoestaanse
en Javaanse contractarbeiders,
hopend op een beter leven. Het zou niet hun laatste volksverhuizing zijn.

Op 5 juni 1873 legde het schip Lalla Rookh aan in
het ‘beloofde land’. De eerste 400 Hindoestaanse contractarbeiders voor Suriname zagen met eigen
ogen het land van Shri Ram, een incarnatie van de God Vishnu. Want zo was de
kolonie hen voorgespiegeld door ronselaars van plantagearbeiders. Ze gingen in
Suriname goed verdienen en daarna rijk terug naar huis. 

Keuze of kidnap

Thuis was voor deze emigranten de regio Hindoestan
in het noorden van Brits-Indië, het huidige India. Een straatarme,
dichtbevolkte regio, die regelmatig geteisterd werd door overstromingen. Na
zo’n allesverwoestende natuurramp lieten veel mensen zich door ronselaars overhalen
de armoede achter zich te laten. Romantischer zijn verhalen over geliefden die
aan het rigide kastenstelsel
wilden ontsnappen. Zij konden in India niet trouwen en vertrokken samen naar
Suriname. Ook alleenstaande vrouwen vertrokken. Van de vrouwelijke emigranten
was 50 procent ongetrouwd, vaak jonge weduwen, op zoek naar meer vrijheid.


Maar veel mensen kozen helemaal niet. Er zijn
talloze verhalen van emigranten die voor ze het wisten op de boot zaten, met
onbekende bestemming, weg van hun familie en hun thuis. De voorwaarde dat de
contractanten vrijwillig en goed geïnformeerd een contract behoorden te sluiten,
bleef in de praktijk een dode letter. Niet vreemd met 90 procent analfabeten,
die hun contract ondertekenden met een vingerafdruk.


Plantagebouw uit het slop

De koloniale overheid in Suriname zag de
contractanten graag komen. Na afschaffing van de slavernij in 1863 hadden de
slaven in een overgangsperiode van tien jaar nog wel verplicht op de plantages
gewerkt. Maar dat hield op in 1873. De voormalige slaven keerden de plantages
massaal de rug toe. Werk in de landbouw zou voor hen altijd de associatie met
slavenarbeid houden.

Waar haal je nieuwe arbeidskrachten vandaan? In Brits-Guyana en Frans-Guyana, de
buurlanden van Suriname waren de plantagehouders erin geslaagd de plantagelandbouw
uit het slop te halen met Brits-Indische contractanten. De Surinaamse koloniale
overheid maakte daarom afspraken met Groot-Brittannië om ook voor Suriname deze
contractanten te mogen werven. Dat stonden de Britten toe onder zeer strikte
voorwaarden.


Dat was de Surinaamse plantagehouders een doorn in
het oog. De Britten konden zomaar besluiten de emigratie te stoppen! Nederland
had toch ook koloniale gebieden in Azië, waarom konden daar geen contractanten
vandaan gehaald worden? Ook Java was dichtbevolkt, daar wilden veel arme boeren
de rijstvelden wel verlaten voor een beter bestaan. Daarom vertrok in 1894 de Voorwaarts
met de eerste Javaanse contractarbeiders voor Suriname.

In totaal zouden tussen 1873 en 1939 ruim 34.000
Hindoestaanse en bijna 33.000 Javaanse arbeiders een nieuw leven in Suriname
beginnen.

Koelies

De nieuwkomers kwamen aan in het Koeliedepot, waar
nu een standbeeld staat ter herinnering aan de Hindoestaanse immigratie. Koelie was de
(denigrerende) naam voor dagloners.

Daarvandaan vertrokken de immigranten naar de
plantages, waar suiker, koffie, katoen of cacao verbouwd werd. Het was hard
werken onder opzichters die weinig verschil maakten tussen slaven of contractanten.
Ook de gratis huisvesting stelde weinig voor. De leegstaande slavenverblijven
waren goed genoeg voor de contractanten. Het achterlaten van de armoede was
niet gelukt: ze hadden hun armoede slechts geëxporteerd.

De contractant kreeg vaak betaald per taak in plaats
van per dag. Dat was voordelig voor de opzichters, want dan was er minder
toezicht nodig. Maar de taken stamden uit de slaventijd, toen slaven langere
dagen maakten. Hierdoor moest de contractant langer werken en verdiende minder dan
verwacht omdat de taak niet af was. De taken werden nog verder opgevoerd toen
de plantages te maken kregen met dalende prijzen op de wereldmarkt. De
contractanten voelden zich uitgebuit en er ontstonden vele conflicten en
opstanden. De bekendste opstand was die op suikerplantage Mariënburg
(1902), waarbij woedende koelies de directeur vermoorden. Een legereenheid trok
de plantage binnen en er vielen ruim twintig doden.

Uitstel van terugkeer


Elke contractant had recht op terugkeer na afloop
van het contract, zo stond in de voorwaarden. Toch bleef uiteindelijk driekwart
van de contractanten in Suriname. De droom welgesteld terug te keren naar huis
kwam niet uit. Velen stelde de terugkeer uit en sloten een nieuw contract. Wie
er ondanks het schamele loon in was geslaagd een beetje te sparen, begon na de
contractsperiode als kleine landbouwer.

De crisis van de jaren dertig sloeg in Suriname hard
toe. De nog overgebleven plantages sloten voorgoed hun poorten. De werkloosheid
was hoog en veel Javanen wilden terugkeren. Maar daar was helemaal geen geld
voor, uitstel werd afstel.

Handel en bauxiet


Na 1916 was een einde gekomen aan nieuwe aanwas
vanuit India na protesten van de nationalisten onder leiding van Ghandi (1869-1948), Zij
vonden de contractarbeid koloniale uitbuiting. Hindoestanen legden zich neer
bij Suriname als hun nieuwe vaderland. Voortaan noemden zij zich geen immigrant
meer. Ook probeerden ze de term koelie uit te bannen, die niet meer paste bij
de meer zelfbewuste Hindoestaan. Velen van hen vonden een nieuw bestaan in de
handel. Nog steeds is de middenstand in Suriname voor een groot deel een
Hindoestaanse aangelegenheid.

De Tweede Wereldoorlog bracht grote veranderingen in
Suriname. Er kwam een definitief einde aan de contractarbeid, ook de aanvoer
uit Java stopte. Daarnaast leverde de bauxietwinning voor de
Amerikaanse vliegtuigindustrie veel nieuw werk op, vooral voor Javanen.

Einde of nieuw begin?

Net toen alle bevolkingsgroepen hadden geaccepteerd
dat hun toekomst in Suriname lag, kwam het dekolonisatieproces op gang. Vooral
de afstammelingen van de slaven, de Creoolse meerderheid van de bevolking,
ijverde voor zelfbestuur. De Hindoestanen en Javanen verzetten zich lang tegen
de onafhankelijkheid. Enerzijds voelden zij er weinig voor een minderheid te
worden met weinig politieke invloed. Anderzijds zagen beide groepen de
onafhankelijkheid van India en Indonesië, hun landen van herkomst, gepaard gaan
met grote religieuze en politieke spanningen. Dat temperde het enthousiasme
aanzienlijk.

Uiteindelijk zijn er 70.000 mensen naar Nederland
verkast in de aanloop naar de onafhankelijkheid,
onder hen opvallend veel nakomelingen van contractarbeiders. Van Azië via
Zuid-Amerika naar Europa: Nederland was hun derde vaderland in nog geen honderd
jaar.

 

Leave a Reply